Programmatoelichting
Liszt en Bruch

do 31 oktober 2019 • 20.15 uur
vr 1 november 2019 • 20.15 uur

dirigent Antony Hermus
viool Niek Baar
piano Dina Ivanova

Leoš Janáček 1854-1928
Suite Het sluwe vosje [1923]

Franz Liszt 1811-1886
Totentanz [1849; rev. 1853/59]

Pauze

Max Bruch 1838-1920
Schotse fantasie in Es, op. 46 [1880]
voor viool en orkest
• Introduction. Grave – Adagio cantabile
• Scherzo. Allegro
• Andante sostenuto
• Finale. Allegro guerriero

Zoltán Kodály 1882-1967
Galánta-dansen [1933]

Einde concert circa 22.10 uur

Vorige uitvoering door ons orkest:
Janáček Suite Het sluwe vosje: mei-juni 2008, dirigent James Gaffigan
Liszt Totentanz: januari 1998, piano Igor Roma, dirigent Jurjen Hempel
Bruch
Schotse fantasie: oktober 1988, viool Peter Zazofsky, dirigent Paul Daniel
Kodály Galánta-dansen: oktober-november 2013, dirigent Andrés Orozco-Estrada

Een uur voor aanvang van het concert geeft musicoloog Emanuel Overbeeke een inleiding op het programma, toegang € 5. Kaartjes zijn aan de zaal te verkrijgen tegen pinbetaling. Voor Vrienden is de inleiding gratis.

-----
 

Het belang van volksmuziek

Vanavond zijn de dans en de volksmuziek de verbindende factoren in de werken van Leoš Janáček, Max Bruch, Franz Liszt en Zoltán Kodály. Het zijn composities die niet alleen de achtergrond en interesse van de componisten in kwestie in klank vatten, maar die ook op een enerverende wijze aandacht vragen voor de eigenheid van de cultuur van de verschillende landen.


Wat was er ooit eerder, de dans of de muziek? Van de Australische Aboriginals, een van de oudste volkeren ter wereld, is bekend dat ze voordat de didgeridoo zijn intrede deed in hun cultuur al dierenmanieren stileerden tot een soort rituele dans. Pas later kwamen het ritme van de clapsticks en de drone van de didgeridoo ter sprake als een vorm van begeleiding. Hoewel het verder waar ook ter wereld altijd een verhaal van de kip en het ei zal blijven, is het een feit dat dans en (volks)muziek innig verbonden zijn. En dat ze beide gestaag hun weg vonden in de kunstmuziek.

Tjechisch stripverhaaal
Zo baseerde Leos Janáček zich in zijn opera Het sluwe vosje, zoals in al zijn latere werken, op de Tsjechische spraak en de Tsjechische folklore. Max Bruch dook voor zijn Schotse fantasie in de Schotse volksmuziek en de daarbij behorende dansritmen, Franz Liszt maakte op basis van het Dies Irae en zijn ervaring met de Hongaarse volksdansen een frenetieke Totentanz en Zoltan Kodály deed in zijn Gálantadansen eigenlijk niet veel anders dan reeds bestaand Hongaars volksmateriaal in een klassieker jasje gieten.

Janáčeks zevende opera, Het sluwe vosje uit 1924, is gebaseerd op wat we misschien wel het eerste Tsjechische stripverhaal kunnen noemen. In de vroege jaren twintig van de vorige eeuw vonden vele tekeningen van de Tsjech Stanislav Lolek in de vorm van een feuilleton hun weg naar de Tsjechische krant Lidové noviny. Janáček raakte geïntrigeerd, schreef zelf het libretto en componeerde muziek bij het verhaal van het vosje dat gevangen wordt door een boswachter, diens kippen doodt en ontsnapt, een gezin sticht en uiteindelijk aan zijn eind komt door een stroper. De opera was direct een succes. Ook de suite die Janáček samenstelde vond snel zijn weg naar het concertpodium. In die suite maken we de dood van de vos niet mee. De suite bevat alleen de instrumentale stukken die de bosrijke natuur vol krekels, vlinders, sprinkhanen en kikkers schilderen en een bewerking van delen van het slot van de tweede scène van de opera waarin de vos zich bewust wordt van haar natuur en zich opmaakt om te ontsnappen.

Schotse volksliedjes
Waar Janáček dankbaar uit de eigen cultuur putte, speelde Max Bruch op een creatieve wijze leentjebuur. Toen hij in 1880 zijn Schotse fantasie schreef was hij nog nooit in Schotland geweest. Pas een jaar na de première kon hij voor het eerst meemaken hoe de Schotse melodieën werkelijk klonken. Zijn interesse in volksmuziek bracht hem geregeld naar de bibliotheek waar hij op een dag een bundel Schotse volksmuziek vond onder de titel The Scots Musical Museum uit 1780, de anthologie waar ook Haydn en Beethoven uit hadden geput voor hun arrangementen van Schotse volksliedjes. Tussen de ruim zeshonderd songs en dansen vond Bruch bruikbaar materiaal voor een werk dat hij voor violist Pablo de Sarasate zou schrijven. Het werd uiteindelijk een vierdelig werk waarin in elk deel een andere Schotse melodie het basismateriaal leverde. Alleen de melodie uit het eerste deel, Through the Wood Laddie, komt aan het eind van het tweede en vierde deel nog even terug. Bruchs verkapte vioolconcert met ‘geleend’ materiaal groeide uit tot een van zijn meest gespeelde werken. In feite leende ook Franz Liszt voor zijn Totentanz voor piano en orkest die hij in 1849 voltooide en in 1853 en 1859 nog eens reviseerde van een cultuur die niet de zijne was. Hij etaleerde zijn fascinatie voor de dood door omstandig gebruik te maken van het Dies Irae-motief uit de gregoriaanse dodenmis. Liszt had het idee ongetwijfeld niet van zichzelf. In 1830 woonde hij de première bij van de Symphonie fantastique van Hector Berlioz waarin het Dies Irae-motief op een verrassend nieuwe wijze aan de orde kwam. Mede geïnspireerd door het fresco Triomf van de dood van Francesco Traini begon Liszt vervolgens schetsen te maken voor een heuse dodendans. Het werd uiteindelijk een doorlopend werk met een zestal variaties over Dies Irae. De uiteindelijke versie uit 1859 ging op 15 april 1865 in Den Haag in première met Liszts leerling Hans von Bülow als solist.

Zigeunermuziek
Zoltán Kodály zat net als Janáček heel dicht op de huid van de eigen volkscultuur. Samen met Béla Bartók onderzocht hij de waarde van de volksmuziek voor de samenleving en legde hij vele volksliederen en -dansen vast. Veel van die liederen en dansen gebruikte hij, al dan niet gestileerd, net als Bartók, in zijn eigen werk. Zijn kennismaking met de Hongaarse volks- en vooral zigeunermuziek gaat terug tot zijn jongste jeugd, de tijd dat zijn vader stationschef was in Gálanta, een destijds belangrijk tussenstation langs het spoor dat voerde van Boedapest naar Wenen en Praag. Kodály ging later terug om de muziek direct uit de monden van de bewoners van Gálanta op te tekenen. Het zijn deze melodieën die Kodály naast oude verbunkos, de Hongaarse mannendans die het leger inzette om rekruten te lokken, gebruikte voor zijn Dansen uit Gálanta. De componist schreef het werk, vijf in elkaar overgaande dansen die steeds sneller in tempo worden, voor de tachtigste verjaardag van het symfonieorkest van Boedapest en beschouwde het als een belangrijk signaal. Voor hem waren de volksmuziek en de dans de elementen die het heden en verleden van een samenleving verbinden en onmiskenbaar bijdragen tot eigenwaarde en culturele identiteit.
Paul Janssen


-----
 

Antony Hermus

Dirigent
Geboren: Oosterhout
Huidige posities: eerste gastdirigent Noord Nederlands Orkest; artistiek adviseur Nationale Jeugdorkesten Nederland; gastdocent Conservatorium van Amsterdam; eredirigent Anhaltische Philharmonie Dessau 
Studie: Conservatorium Tilburg, piano bij Jacques de Tiège, orkestdirectie bij Jac van Steen en Georg Fritzsch
Gastdirecties: Philharmonia, BBC Philharmonic, Koninklijk Concertgebouworkest, Radio Filharmonisch Orkest, Bamberger Symphoniker, Melbourne Symphony, Seoul Philharmonic, Danish Radio Symphony, Orchestre de la Suisse Romande
Opera: producties in Stuttgart, Strasbourg, Gothenburg, Essen, Komische Oper Berlin, Opéra de Paris studio, Nederlandse Reisopera 
Debuut Rotterdams Philharmonisch: 2015

Niek Baar

Viool
Geboren: Rotterdam
Studie: Koninklijk Conservatorium Den Haag bij Peter Brunt en Philippe Graffin; Hochschule für Musik ‘Hanns Eisler’ Berlijn bij Stephan Picard; bij Christoph Poppen in München
Masterclasses: bij Leonidas Kavakos, Boris Kuschnir, Miriam Fried, Pavel Vernikov, Hagai Shaham, Ivry Gitlis, Liza Ferschtman
Prijzen: eerste prijs Nationaal Vioolconcours Oskar Back (20018); International Johann Sebastian Bach Concours in Leipzig (2014); International Bach Concours London (2012); Prinses Christina Concours (2011); Davina van Wely Vioolfestival (2007)
Gesoleerd: bij Atheneum Kamerorkest en het orkest van het Koninklijk Conservatorium Den Haag 
Kamermuziekduo: met pianist Benjamin Kim
Instrument: Carlo Bergonzi uit 1729
Debuut Rotterdams Philharmonisch: 2007

Dina Ivanova

Piano
Geboren: Rjazan, Rusland
Studie: Central Music School in Moskou; Tchaikovsky Conservatorium in Moskou bij Alexander Mndoyants
Masterclasses: bij José Ribera, Dmitri Bashkirov, Aquiles del Viña, Andrzej Pikul, Alexander Reinhardt, Tomer Gevirtsman
Prijzen: derde prijs en publieksprijs Internationale Franz Liszt Concours Utrecht (2017); Artist Recognition award International Keyboard Festival in New York (2017); eerste prijs Tel Hai Competition in Israel (2016); Liszt Competition in Weimar (2015) 
Gesoleerd: bij Radio Filharmonisch Orkest, Thüringer Philharmonie, Israel Symphony Orchestra
Kamermuziek: met het Gothenburg Quartet
Debuut Rotterdams Philharmonisch: 2019

Cookies
We make use of cookies. Cookies are small text files which are placed on your computer, tablet or telephone. In this way we ensure that our website works efficiently and that we can adapt our content to the interests of our visitors.
More about cookies