‘Niet bang zijn maar knallen’

9 februari 2018

Niet bang zijn maar knallen’

Babette van den Berg zit in de tweede vioolgroep en geniet van de kracht die samenspelen geeft. ‘Solo is echt niks voor mij.’
 

Jong geleerd

‘Mijn ouders speelden beiden professioneel klarinet. Als ik ’s avonds in bed lag en ze hoorde spelen, vond ik het wel gezellig, maar de klank vond ik vroeger niet zo mooi. Ik herinner me dat mijn opa een viool had, waar hij als amateur op speelde, en dat we af en toe naar een viooloptreden gingen van de dochter van mijn moeders collega. Zij droeg dan altijd een prachtige jurk. Dat wilde ik ook: viool spelen in zo’n jurk! Ik bleef volhouden en mocht op mijn vijfde met vioolles beginnen.’

 

Het mooie van de viool

‘Eerlijk gezegd vind ik de cello misschien wel mooier klinken. De viool kan soms heel hoog en snerpend zijn. Maar verder houd ik erg van de klankkleur. Op dit moment speel ik op een Italiaanse viool die het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds mij ter beschikking heeft gesteld, een Tarasconi uit 1899. De viool die ik al vanaf mijn twaalfde had, was ik een beetje ontgroeid. De limiet was bereikt. Zeker toen ik de tweede vioolgroep moest aanvoeren bij het Orkest van het Oosten, werd het tijd voor iets anders. Van deze oude viool beviel de meer solistische klank mij meteen.’

 

Samenspel

‘In het eerste jaar conservatorium ben ik gestopt en pedagogische wetenschappen gaan studeren. Ik was in zoveel dingen geïnteresseerd en zag mezelf niet in mijn eentje in een hokje acht uur per dag studeren. Tot mijn leraar mij belde en vroeg om weer terug te komen. Ik had een jaar niet gespeeld en wist toen pas wat ik miste. En ik besloot: ik ga dit doen op mijn manier en dat betekent veel met andere mensen spelen. Ik ga me focussen op het orkest.’

 

RPhO

‘Ik had al eerder, als invaller bij het orkest gespeeld, en dacht toen: dit is echt een orkest voor mij. Het is natuurlijk een heel goed orkest, maar daarbij vond ik ook de grote gedrevenheid en de passie van de mensen zo inspirerend! Die houding beïnvloedt je eigen spel, want je zit zó dicht op elkaar. Het is een wil en een kracht die echte Rotterdammers sowieso hebben: niet zeuren, we gaan het gewoon doen. Die trots, die stoerheid, die mentaliteit, sprak mij aan. Niet bang zijn, maar knallen.’ 

 

Lachen voordat je het podium opgaat helpt je zenuwen te bedwingen

 

De auditie

‘Audities zijn sowieso eng, voor iedereen. Daar komt bij: ik kende al veel mensen bij het orkest en dacht daardoor dat ik meer te verliezen had. Extra zenuwen dus. Ik bekeek de vlogs van zangeres Joyce DiDonato. Zij stelt dat kandidaten altijd denken dat iedereen wacht op het moment dat ze het verkeerd doen. Dat is helemaal niet zo. Ze willen juist dat je het goed doet, maar dat vergeet je soms omdat je zo bezig bent perfect te zijn. Lachen voordat je een podium opgaat helpt ook je zenuwen te bedwingen. Het geeft je lichaam het signaal dat je veilig bent, want wie in gevaar is lacht niet.’

 

Ultieme droom

‘Waar ik jaren van droomde, is nu al gelukt. Dat voelt best gek, maar ik ben heel blij. En solo, dat is echt niks voor mij. Ik geniet er niet van om in mijn eentje voor een publiek te staan. Ik vind het leuk en ook goed voor mezelf af en toe wat kamermuziek te spelen, maar laat mij maar fijn met het hele orkest een krachtige symfonie uitvoeren. Dat geeft mij een machtig gevoel.’

 

Groots en romantisch

‘Ik speel het liefst de grote symfonieën, romantisch repertoire, van bijvoorbeeld Bruckner, Mahler en Brahms. Omdat er zoveel mensen meedoen, geeft het die power van samenspel waar ik zo van houd en waarom ik altijd in een orkest wilde. We speelden in januari het Celloconcert van Connesson – had ik nog nooit van gehoord. Het is een mengeling van klassiek met een popnummer en een harde discodreun. Gaaf om te doen.’

 

Idolen en leermeesters

‘Ik bewonder veel violisten om verschillende dingen. Janine Jansen vind ik geweldig, maar ook Leonidas Kavakos, en Aleksey Igudesman, die als duo heel grappige jazzy stukjes brengt. Dat geldt ook voor mijn leermeesters. Ik heb op allerlei momenten op verschillende manieren zoveel aan hen gehad. Lastig om één naam te noemen. Nou, vooruit, Johannes Leertouwer dan, die mij terughaalde naar het conservatorium. Als ik zie waar ik nu ben terechtgekomen, ben ik hem daar dankbaar voor.’