Een hang naar extase

11 oktober 2016 | 10:15
Concert

‘Ik heb een fascinatie voor de werking van de menselijke geest,’ zei Robert Zuidam ooit in een interview, ‘en dan vooral de extreme uitwassen daarvan.’ Dat leidde tot een kleurrijk oeuvre waarin – tot nu toe – zeven opera’s een centrale plek innemen. Naast al die theatrale stukken lijkt Zuidams Cello Concerto een buitenbeentje. Maar schijn bedriegt: ook zuiver instrumentale muziek kan bol staan van het drama. Vooruitlopend op de première vertelt de componist over de weemoed, de monomanie en de geleidelijke ascese in zijn nieuwste werk.
 

Hij schreef al eens een Air voor cello solo en gaf in zijn McGonagall-Lieder een sleutelrol aan een kwartet van vier celli. Toch is de cello niet het eerste instrument waar je bij Robert Zuidam aan zou denken. ‘Van huis uit ben ik pianist,’ geeft hij toe. ‘Maar ik ben een groot fan van de cello. Van de strijkinstrumenten is het misschien wel mijn favoriet. Het heeft een enorm bereik, van de bas tot ijle hoogte. Maar wat me het meest treft, is dat het zo dicht bij de menselijke stem zit. Het vocale, dat is iets wat mij wel intrigeert.’
 

Hoe kwam dit celloconcert tot stand?

‘De Cello Biënnale benaderde mij met de vraag of ik een stuk wou schrijven van een minuut of twintig. Ik probeerde eerst voor mezelf een beeld te maken: wat zou ik daarmee kunnen? Dat vind ik een heel interessante fase: alles kan dan nog willekeurig welke vorm aannemen. Toen kwam het idee van een soort barokke zuchten: dat was het waardoor ik me liet meeslepen. Het is een vlag die de lading helemaal niet dekt, maar het was een soort uitgangspunt: die melancholie. Daarmee ben ik aan de gang gegaan en daar is uiteindelijk het eerste deel uit ontstaan. Vervolgens ging ik op zoek naar contrasten, naar de andere kanten van de cello. Het tweede deel is veel percussiever: de cello wordt beklopt, er wordt gehamerd op de snaren, zodat er allerlei slagwerk-effecten ontstaan. En het slotdeel is eigenlijk een geleidelijk ascese – zo zou ik het kunnen omschrijven in een paar woorden.’
 

Alle drie de delen zijn genoemd naar prenten van Dürer.

‘Zijn gravures fascineerden me al toen ik een jaar of twintig was. Ze zijn vrij klein, 20 bij 25 centimeter of zo, maar er is enorm veel op te zien. Het zijn eigenlijk een soort van beeldverhalen, gereduceerd tot één afbeelding. Bij het ontstaan van het eerste deel had ik heel sterk Dürers Melencolia in het achterhoofd. De donkere, sombere, warme toon van de cello: vanuit die weemoed kwam het beeld van die gravure voort. In een hoek van die prent staat een magisch vierkant afgebeeld met de getallen 1 tot 16. En hoe je die ook optelt, diagonaal, verticaal, horizontaal, er komt altijd 34 uit. Dat magische vierkant komt in de muziek terug, in metrische en ritmische verhoudingen. Ik heb verder helemaal niet zo’n mathematische insteek bij muziek, maar het levert soms heel interessante dingen op.’
 

En toen?

‘Terwijl ik zo bezig was, kwam ik er gaandeweg achter wat ik met de rest van het stuk voor ogen had. En ik zag dat dat heel goed aansloot bij twee andere gravures van Dürer. Het tweede deel – Ritter, Tod und Teufel – is misschien het meest letterlijk verhalende; de buitendelen hebben meer betrekking op een gemoedstoestand. Het slotdeel – Der heilige Hieronymus im Gehäus – heeft met toewijding en devotie te maken. Een zekere monomanie en een hang naar extase – ik herken mezelf daar wel in.

‘Ik heb lopen zoeken naar een titel voor het hele stuk, iets wat die drie delen nog zou kunnen overkoepelen. Want ja, ‘Cello Concerto’ is een béétje aan de saaie kant, vind ik wel. Maar eigenlijk heb ik niks kunnen vinden dat krachtiger was dan die drie titels.’
 

De première nadert, de partituur is bijna klaar?

‘Ik ben nu aan het afwerken. Ik blijf altijd zo lang mogelijk aan het priegelen, totdat het echt niet meer gaat. Ik ben een enorme twijfelaar, ik probeer het stuk zo lang mogelijk in handen te houden, dan kan ik altijd nog kleine dingen veranderen. Een heel enkele keer ook na de première, maar meestal is het dan echt wel uit mijn systeem. Je moet er op een gegeven moment ook klaar mee zijn en er afstand van kunnen nemen: oké, dit was het dan. Het eerste deel ligt nu bij de drukker, het tweede en derde deel ben ik vandaag en morgen aan het voltooien. En de solist heeft zijn eigen partij al lang en breed – ik ben onlangs nog met hem aan het werk geweest.
 

Hoe zag die samenwerking eruit?

‘We zijn aan de slag gegaan en hebben overlegd over de mogelijkheden. We bespraken wat ik wou, hoe ik vond dat het moest klinken; hij kwam ook met allerlei suggesties, die ik voor een deel heb overgenomen. Risicoloos schrijven is zeker niet mijn uitgangspunt, maar op een gegeven moment moet je wel weten of het allemaal een beetje haalbaar is. De mensen die mijn muziek uitvoeren, die moeten zich comfortabel voelen op het podium. Dat is de eerste stap om een brug te kunnen slaan naar het publiek toe.’
 

Een brug?

‘Je kan soms in de concertzaal zitten en denken: wat doe ik hier eigenlijk? Ik herken dat zelf: dat er vanuit de muziek zo’n overload aan informatie op je afkomt, dat je niet meer in staat bent om dat allemaal goed op te nemen. Dus ik probeer altijd te zorgen dat er een verhaal in mijn muziek zit, dat de grote vorm in ieder geval duidelijk is. Daarbinnen kunnen zich dan allerlei mysterieuze, ongrijpbare dingen afspelen – liefst wel. Maar ik houd wel van een vrij heldere buitenkant, waardoor het niet zo onmogelijk is om er bij eerste beluistering enige grip op te krijgen. En dit stuk: ik denk dat het wel in staat is om de mensen in vervoering te brengen. Hopelijk slaag ik daarin.’

Tekst Bart Diels