Tien jaar chef in Rotterdam

14 februari 2017 | 15:15

Onze honderdste verjaardag, aan het einde van het komende concertseizoen, valt samen met het afscheid van Yannick Nézet-Séguin als chef-dirigent. We vroegen Yannick naar zijn kijk op verleden, heden en toekomst van ons orkest, en op zijn plaats daarin.
 

Yannick: ons eeuwfeest, wat betekent dat voor jou?

Een honderdjarig bestaan, dat is natuurlijk iets heel indrukwekkends, vooral in deze tijd waarin alles, wereldwijd, steeds meer op de korte termijn is gericht. Dat jachtige is zeker niet alleen iets van nu: het was er al lang voordat ons orkest bestond. Maar de versnelling is alleen maar toegenomen – des te meer betekent het om een instituut te hebben dat al zo lang een stabiele factor is: hetzelfde orkest, in dezelfde stad, met musici die generatie na generatie voor continuïteit zorgen. Maar: er is een ‘maar’. De kracht van wat wij doen als klassieke musici is dat we een immaterieel erfgoed van vele eeuwen belichamen, een erfgoed dat we steeds blijven verrijken met nieuwe muziek. Met ons enorme repertoire verbinden we het verre verleden met de tijd van nu. Daardoor zijn we een tegenwicht voor de vluchtige snelheid waar de wereld vandaag om vraagt. Op die schaal gezien is ons orkest, als honderdjarige, nog maar net een jongvolwassene: we hebben een zekere rijpheid, maar voor mijn gevoel staan we nog maar aan het begin van onze gloriedagen. Want het kost zoveel tijd om samen een cultuur op te bouwen, en die te doorleven, inhoud te geven en leven in te blazen.

Kun je voelen dat ons orkest zo’n historie heeft?

De geschiedenis van ons orkest – ik weet dat het als een cliché klinkt – weerspiegelt heel erg die van deze stad en haar bewoners. Dit orkest is opgebouwd met de Rotterdamse mentaliteit van aanpakken, het is groot geworden dankzij de Rotterdamse daadkracht en ambitie, de drang om zich te bewijzen – misschien wel juist omdat Rotterdam niet de hoofdstad is, maar de tweede stad. Het kost tijd om dat stadium achter je te laten en alleen maar vertrouwen te hebben in eigen kracht, zonder jezelf te vergelijken met de anderen. Ik heb de afgelopen tien jaar mijn steentje proberen bij te dragen om dat zelfbewustzijn te laten groeien, maar het zijn de musici die het verschil hebben gemaakt. En ook de stad zelf, die nu nog veel meer trots uitstraalt dan de voorbije decennia. Dus, ja: je voelt de traditie van dit orkest, de kennis die we hebben opgebouwd, het besef dat we al een tijdje meegaan en wel weten hoe de wereld in elkaar zit. Maar wat vooral tastbaar is, is de gretigheid om verder te gaan en grenzen te blijven verleggen. En dat is de meest positieve energie die je maar kunt ervaren, als dirigent of als musicus, maar zeker ook als luisteraar in het publiek. Ik ben van nature optimistisch, dat weet iedereen. Maar ik neem straks nog veel optimistischer afscheid van mijn positie als chef-dirigent dan dat ik haar aanvaardde. En dat zegt veel.

 

Tien jaar als chef-dirigent: hoe kijk je daarop terug?

Toen ik hier begon, hoopte ik dat ik de sterke muzikale persoonlijkheid zou kunnen behouden die zo’n elementaire kwaliteit van ons orkest is. Het hart laten spreken, muziek maken met je hele gevoel, risico’s durven nemen, dappere keuzes maken: al die eigenschappen die maakten dat ik viel voor dit orkest, wilde ik koesteren – om tegelijkertijd misschien nog wat ruwe randjes weg te halen. Door de jaren heen hebben we ontdekt welke klankkleuren we allemaal kunnen maken. De orkestwerken zijn we in onze uitvoeringen meer als kamermuziek gaan benaderen. En daar ben ik heel gelukkig mee. Het is allemaal niet in één vloeiende beweging gegaan. Soms moesten we eerst iets afbreken voordat we erop konden verder bouwen. Zo gaat het altijd als je iets wilt veranderen, zeker in een groep: je moet vaak een stap terug zetten om daarna vooruitgang te kunnen boeken. Daar is geduld voor nodig, het maar concert na concert, hoogtepunt na hoogtepunt – en af en toe met moeilijke momenten, muzikaal of persoonlijk, om uiteenlopende redenen – kom je verder. En als je dan terugkijkt, dan zie je dat de diamant die eerst nog wat ruw was, nu een schitterend juweel is.

 

Missie geslaagd?

Natuurlijk: het is nooit af. Het leven gaat door, mijn opvolger zal het orkest weer verder brengen – dat is het mooie ervan. Maar ik kan uit het diepst van mijn hart zeggen: ik zou niet trotser kunnen zijn dan met dit orkest in zijn huidige staat, de staat waarin ik het nu aan Lahav overdraag. En ik weet dat hij zich er met de grootst mogelijke zorg over zal ontfermen. Ik geef eerlijk toe: het stemt het me een beetje weemoedig dat mijn periode als chef-dirigent er na tien jaar al weer op zit. Maar aan de andere kant: tien jaar is een hele tijd om zo’n belangrijk instituut onder je hoede te hebben. En ik had het geluk dat ik die rol mocht vervullen in deze bloeiperiode in de geschiedenis van de stad en van het orkest. Het heeft me enorm verrijkt en ik had ook de kans om het orkest te verrijken. Dus dit is het juiste moment voor mij om deze stap te zetten. En het orkest heeft er de laatste tijd zoveel jonge musici bij gekregen: daar past ook een jonge, frisse, nieuwe chef-dirigent bij. Maar ik zal nooit ver weg zijn, en daar ben ik heel blij om.

 

Hoe kijk je naar onze toekomst?

Als ik zie hoe onze oudere musici de nieuwe orkestleden verwelkomen en bewonderen, en hoe de nieuwelingen grote waardering hebben voor de ervaring van de oudere, dan voel ik hoe de geschiedenis van ons orkest groeit met iedere keer dat de fakkel van de ene generatie aan de andere wordt doorgegeven. Dat is in ons vak veel sterker het geval dan waar dan ook. Natuurlijk, je komt overal organisaties tegen met jongere en oudere collega’s, maar die zitten niet jarenlang elke dag opnieuw naast elkaar hun ervaringen te delen. Die overdracht van kennis en gevoel is een goudmijn, een schat die met het groeien van onze geschiedenis alleen maar waardevoller wordt. Dat zie je niet alleen door terug te kijken naar het rijke verleden, maar ook wanneer je je realiseert wat voor schitterende basis dit is voor de komende eeuwen.

 

We zullen altijd mensen blijven raken met onze muziek?

O ja! Als we blijven doen waarin we onovertroffen zijn – dromen oproepen, momenten van samenzijn creëren, momenten van reflectie, van gedeelde blijdschap, ontroering en hoop, momenten waarin we de rust vinden om in contact te komen met ons diepste zelf – dan denk ik dat de wereld ons alleen maar harder nodig zal hebben. Ik zeg niet dat het makkelijk zal zijn om iedereen ter wereld te overtuigen. Makkelijk is het nooit. Maar is het dat ooit geweest? Kijk naar onze geschiedenis: we hebben ons nooit door tegenwind laten ontmoedigen.

Dit orkest voelt waar het vandaan komt. De musici – ook de jongste lichting – weten wat er is opgebouwd, ze voelen zich ermee verbonden, ze koesteren het en doen er alles aan om dat steeds opnieuw naar een nog hoger plan te brengen. Als we die ambitie vasthouden, als we stevig verankerd blijven in onze stad en tegelijkertijd de wereld steeds meer weten te verleiden – dan denk ik dat het bereik en de reputatie van ons orkest nog veel groter kan worden dan we nu voor mogelijk houden.