1961: Decker debuteert

1 januari 1961

1961: Decker debuteert

1961 - De tijd eist zijn tol. In 1961 wordt de jarenlang onverwoestbaar lijkende Eduard Flipse vijfenzestig jaar oud. Die mijlpaal wordt uiteraard groots gevierd. Flipse krijgt uit handen van burgemeester Van Walsum zelfs de hoogste onderscheiding die de stad te bieden heeft, de Van Oldenbarneveltpenning. Een hele eer, maar Flipse voelt in alles dat de jaren gaan tellen. Hij wil het in Rotterdam rustiger aan gaan doen.

Die wens zet de directie van het orkest aan het denken. Wat nu? Wie is, op termijn, de ideale opvolger en kan nu al warmlopen? De ideale kandidaat is niet zomaar gevonden, al helemaal niet omdat het orkest verlangt naar een 'spectaculaire artistieke groei'.

Allerlei dirigenten zijn daarom in 1961 te gast om het orkest te dirigeren. Jean Martinon dirigeert veertien keer, Fritz Rieger negen keer, Jan Krenz zeven keer. Met wisselend succes.

Bij dergelijke aantallen steekt het aandeel van de Duitse dirigent Franz-Paul Decker schril af. Hij dirigeert het orkest in die periode slechts één keer, op 1 juni, in de traditionele Beethovencyclus de Eerste en de Vijfde symfonie. De zevenendertigjarige Decker, dan nog de baas van het orkest in de Duitse stad Bochum, lijkt hooguit een outsider.