Meezingen met de Johannes-Passion

De traditionele Bach-passie bij het Rotterdams Philharmonisch ziet er dit jaar anders uit. Niet alleen klinkt de minder vaak uitgevoerde Johannes-Passion, het lijdensverhaal wordt ook nog eens in zijn oorspronkelijke muzikale context gezet. Met meezingen voor- en achteraf.

Het plan komt uit de koker van de Britse dirigent John Butt: de uitvoering van de Johannes-Passion zoals die in de tijd van Bach in de Leipziger Nicolaïkirche kon hebben plaatsgevonden, met toegevoegd orgelspel en samenzang bij twee koralen. Vanuit de bedoeling de concertgangers te laten ervaren hoe zo’n passie van Bach destijds functioneerde: niet als concertpraktijk, maar in de liturgie van een kerkdienst.

Wiecher Mandemaker, dirigent van het professionele Laurens Collegium dat de koorpartijen in de Johannes voor zijn rekening neemt, weet precies hoe dat werkt, Bachs muziek uitvoeren in de authentieke context. Zijn eigen Matthäus-uitvoering met de Laurenscantorij (gevorderde amateurs), een jaarlijks terugkerend evenement in de Laurenskerk, vindt daadwerkelijk plaats in de liturgie. ‘Die liturgie is natuurlijk beknopt, want de Matthäus zelf is al zo allemachtig lang, maar het is wel een dienst met orgelspel, gemeentezang, lezing, gebeden, de zegen. Van heinde en verre komen de mensen daarop af, elk jaar weer. Die traditie gaat terug tot de oprichting van de Laurenscantorij, meer dan vijftig jaar geleden.’

Hij is benieuwd, Mandemaker, hoe het experiment in de Doelen zal uitpakken. ‘Wat ik er goed aan vind, is dat mensen zich ervan bewust worden dat deze muziek niet is geschreven voor de concertzaal, zoals bijvoorbeeld een pianoconcert van Rachmaninov. Het was voor Bach een geloofsuiting. En het maakt wel uit of je het in de kerkdienst uitvoert, of dat je het in een liturgische context in de concertzaal zet. Mensen met een kerkelijk achtergrond zullen daar mogelijk iets bij beleven, anderen zullen niet verder komen dan: interessant zeg, dat het destijds zo ging. Bovendien kende het kerkpubliek in de tijd van Bach die koralen. Die zongen ze al hun hele leven. En ook de teksten van die koralen waren hun vertrouwd. Of dat voor het concertpubliek van nu ook geldt, is de vraag.’

Is zo’n aanpak in de Doelen dan tot mislukken gedoemd?
‘O, helemaal niet. Natuurlijk, de Johannes-Passion in de concertzaal krijgt de status van een kunstwerk in een museum en dat hef je niet op door een meegezongen koraal vooraf en achteraf. Zo voeg je er hooguit nóg iets museaals aan toe. Maar je haalt een publiek wel uit zijn passieve luistermodus. En dat kan positief werken.

‘Het heeft iets van een hype, de grote belangstelling voor de passies van Bach. In Nederland moet iedereen minstens één keer naar de Matthäus en de Johannes, kerkelijke achtergrond of niet. Het verhaal van lijden, zelfopoffering, verraad, trouw, onbaatzuchtigheid, is algemeen menselijk. Het spreekt mensen aan. Vandaar ook de ongelooflijk populariteit van The Passion. Maar er is een wezenlijk verschil. Bij The Passion klinkt muziek van deze tijd, muziek die mensen ook vanuit hun dagelijks leven kennen. En via die muziek worden ze bij dat lijdensverhaal betrokken. Aan deze Johannes-productie worden orgelstukken en koralen toegevoegd die vier, vijf eeuwen geleden geschreven zijn. Die mensen toentertijd als eigentijds en bekend ervoeren. Voor de concertganger van nu geldt dat niet.’

Wat gebeurt er als luisteraars ineens moeten zingen?
‘Meestal beginnen ze heel beschroomd. Je weet niet precies wat de mensen naast je gaan doen, gaan die volle bak mee of doen ze gegeneerd geen mond open. Het hangt ook af van de handigheid van de dirigent. Heel goed dat hij van tevoren met de zaal gaat repeteren. Hij moet een sfeer zien te creëren waarbij iedereen het leuk gaat vinden om mee te doen. Daar heb je als dirigent wel mogelijkheden voor. Als hij de mensen op een pakkende manier aanspreekt, de juiste toon weet te zetten, ze eventueel wat laat lachen, dan kan het zo zijn dat ze hun stem wel willen verheffen. John Butt is een Brit en Engelse dirigenten weten met humor en een grote dosis flair te motiveren. In Engeland is daar een grote traditie in en er wordt goed gezongen.’

Hoe is het om je koor voor te bereiden en dan aan een andere dirigent over te
laten?

‘Doorgaans heb ik daar geen probleem mee. Ik vind het juist wel mooi het koor te preparen. Soms krijg je van tevoren aanwijzingen van de dirigent, soms helemaal niks. Aanwijzingen helpen om te begrijpen welke kant hij op wil. In het andere geval volg je je eigen muzikale intuïtie. Soms merk je bij de repetitie dat een dirigent niet het beste uit het koor weet te halen. Dat zijn lastige momenten.’

Heb je het er dan over?
‘Ja, er zijn dirigenten die ervoor open staan. Die meteen vragen of je in de zaal wilt luisteren of de balans goed is. Dan kun je samen verder bouwen. Maar er zijn ook dirigenten die met een eigen assistent komen en dan sta jij buitenspel. Als ik dan hoor dat het de goede kant opgaat, dan ben ik er op m’n gemak onder. Maar als het de verkeerde kant opgaat, dat het bijvoorbeeld steeds harder moet en het koor op een gegeven moment over de kling gejaagd wordt, of dat je het koor niet meer hoort omdat het orkest helemaal losgaat, dan heb ik het moeilijk.’

Wat dan?
‘Dan grijp ik in het koor nog weleens in. Waarschuw ik ze niet te hard te zingen, wat de dirigent ook vraagt. Of niet te zacht. Het geluid moet altijd op een gezonde manier tot stand komen, daar let ik op. Vocaal-technisch gaat zo’n koor niet op één project kapot. Dat is het gevaar nog niet eens. Maar je wil niet de volgende dag in de krant hoeven lezen dat het koor amechtig klonk, of dat ze stonden te schreeuwen.’

Met het Rotterdams Philharmonisch doet het koor de Johannes-Passion. Wat is het verschil met de Matthäus?
‘Er is een groot verschil. In de Matthäus krijg je meer momenten van bezinning, wat ook de snelheid beïnvloedt. Het verhaal van de evangelist wordt daar veelvuldig en langdurig onderbroken. Je kunt op adem komen. Het mooie aan de Johannes is dat het al aan het begin in een dramatische stroomversnelling komt. Het ene stuk rolt over het andere heen en dat geeft een enorme drive en drama. Het verschil tussen die twee passies komt voort uit de totaal verschillende karakters van de twee evangeliën. Dat zie je bijvoorbeeld aan de rol van Jezus. In de Matthäus is Jezus heel kwetsbaar. Hij probeert een paar keer onder zijn lot uit te komen: kan alsjeblieft deze beker aan mij voorbijgaan? De Jezus-partij is in de Johannes veel korter, met een paar woorden hier, paar woorden daar, en heeft een ander karakter. Je ziet het al aan zo’n openingskoor, ‘Herr, unser Herrscher’, dat zegt iets over het koninklijke van Jezus, terwijl het openingskoor van de Matthäus spreekt over ‘het lam’. Dat is meer met het hoofd gebogen. De Johannes komt ook met het kruis en met het lijden maar het is wel ‘unser Herrscher’. Hij staat boven ons. En dit was voor Bach de reden om twee zo verschillende passies te componeren.

Tekst: Joke Dame

Dit artikel verscheen eerder in Intrada, het kwartaalblad van het Rotterdams Philharmonisch Orkest

Cookies
Wij maken gebruik van cookies. Dit zijn kleine tekstbestandjes die op je computer, tablet of telefoon worden opgeslagen. Hiermee zorgen wij er onder andere voor dat onze website goed werkt en kunnen wij onze content afstemmen op de interesses van onze bezoekers.
Meer informatie over cookies