Foto: Jan Hordijk

Afscheidsinterview Martin van de Merwe en Jos Buurman

Eind mei nemen twee vaste hoornisten afscheid van het orkest. Martin van de Merwe en Jos Buurman hebben er respectievelijk 45 en 38 jaar geblazen. Samen kijken ze terug op bijna een halve eeuw spelen bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest. ‘Het was een vrijgevochten bende.’

Tekst: Jolanda van der Ploeg 
Martin was pas 17 toen hij van de muziekvereniging uit zijn dorp naar het conservatorium in Rotterdam kwam, waar hij al snel een plek in het orkest kreeg. Hij is er nooit meer weggegaan, al lag er op een gegeven moment een contract voor hem klaar als hoornist bij het Sydney Symphony Orchestra. Een aantrekkelijk aanbod, werken in een land met zo’n aangenaam klimaat, met als vaste locatie het Opera House. Toen hij zich realiseerde dat hij zijn toen nog kleine kinderen uit zijn eerste huwelijk dan wel heel weinig zou zien, besloot hij het niet te doen.

Jos kende Martin al vanaf diens 16de, toen zij samen remplaceerden bij het Residentie Orkest. Hij speelde eerst vijf jaar bij het Amsterdams Philharmonisch Orkest, tot hij op zijn 27ste in het orkest van Rotterdam aantrad. Voor een hoornist met zijn achtergrond geen vreemde plek. Op het conservatorium in Den Haag had Jos les van Piet Schijf, van wie vele oud-leerlingen in Rotterdam aan de slag gingen. Onder anderen Pieter Gouderjaan, die weer les gaf aan de jonge Martin. En zo was de cirkel rond: de stijl van het hoornspel klonk hen beiden vertrouwd in de oren. Martin begon onder dirigent Edo de Waart, Jos sloot aan onder David Zinman, al snel gevolgd door James Conlon.


Jos Buurman (linksachter) en Martin van de Merwe (rechtsvoor) - foto: Jan Hordijk

De sfeer van toen
J: ‘Het was een woelige tijd. Er waren een paar collega’s die zich aansloten bij de Bhagwan; die verkochten hun hele hebben en houwen en vertrokken naar India.’
M: ‘Qua professionele sfeer was het niet te vergelijken met tegenwoordig in het orkest.’ J: ‘Zeg maar gerust: het was een vrijgevochten bende. Met James Conlon veranderde er voor mij al heel veel. De hoekinstrumenten, zoals de contrafagot, de basklarinet en de althobo werden veel belangrijker, evenals de pauken. Voorheen zat er altijd maar iemand een beetje te trommelen.’
M: ‘Edo de Waart was al met die professionalisering begonnen. Hij kreeg de opdracht er een mooi symfonie-orkest van te maken. Er zijn toen veel mensen in het orkest ontslagen. Ik kwam op de plaats van een van die slachtoffers. In die tijd waren er bijna wekelijks wel proefspelen voor een orkestinstrument. De toenmalige concertmeester is zelfs naar Japan gegaan om audities af te nemen voor nieuwe strijkers, omdat die hier niet gevonden werden.’
J: ‘Er zaten veel Japanners en mensen uit het voormalig Oostblok in het orkest, omdat de strijkcultuur hier nog niet zo ver was. Nu is dat veranderd en zijn de strijkers erg vernederlandst.’
M: ‘Er zitten nu verhoudingsgewijs meer buitenlanders bij de blazers. Het is binnen een kleine tien jaar veel gemêleerder geworden.’
J: ‘Vroeger was het: strijkers zijn zeikerds en blazers zijn dat ordinaire zooitje achterin. Er was weinig contact met elkaar. Nu is dat veel meer met elkaar verweven, het orkest is door de jaren heen veel meer een collectief geworden. Dat komt ook door de verjonging bij de strijkers, die begonnen contact met ons te zoeken. Dat beviel heel goed.’
M: ‘Waarvan akte. Ik ben er zelfs met een getrouwd.’
J: ‘In die tijd werd je geacht schoorvoetend naar de aanvoerder te komen en een handje te geven, tegenwoordig stellen we onszelf voor en wensen we ze veel plezier. Het is echt een mentaliteitsverandering.’
M: ‘Het was in de jaren 70: meneer De Waart. Nu zeg je Edo, terwijl hij 74 is! Die afstand was common sense.’
J: ‘Toen ik kwam was die reorganisatie al een beetje voorbij, maar er heerste nog wel een oude garde, met name bij de houtblazers. Je had hier De Oude Stomp, zoals we die noemden, koperblazers van de Koninklijke Militaire Kapel of de Marinierskapel, die hadden zo hun ritueeltjes van nieuwkomers een beetje afknijpen en in de zeik drukken. Om te kijken of je overeind bleef.’
M: ‘Die cultuur is helemaal verdwenen, dat gedrag kun je echt niet meer maken en dat is veel beter zo.’
J: ‘Dat is iets dat sterk verbeterd is in het orkest: iedereen is bereid de schouders eronder te zetten, een enkeling gaat nog een beetje sippen in de kantine. De meesten zijn positief en proberen alles om er iets goed van te maken.’

Goede herinneringen
M:
‘Ik heb goede herinneringen aan de promenadeconcerten, waar veel jongeren in het weekend op afkwamen.’
J: ‘Ja, dat was met vrije inloop. Ik weet nog dat ik in de kleedkamer het geroezemoes hoorde van mensen die goede plekken aan het zoeken waren.’
M: ‘Het animo was groot. Vanaf de voorkant van de Doelen tot om de hoek van het gebouw stonden mensen in de rij voor kaartjes.’
J: ‘We speelden leuke muziek, toegankelijk, beetje jazzy ook. Onder Jeffrey Tate zijn we daarmee opgehouden. Een waardeloze beslissing, vond ik, want het liep als een trein.’
M: ‘Qua publiek in ieder geval, ja. Het was niet klassiek, maar ik vond het fantastisch. Een beetje dingen buiten de deur doen, dat vind ik wel leuk. Zoals het concert met Randy Newman.’
J: ‘Of met Lionel Richie. Ik wil niet zeggen dat vroeger alles beter was, maar de programmering was destijds ijzersterk. Het liep als een tierelier en dat hebben we nooit teruggekregen.’
M: ‘Dat gebeurt wereldwijd. Ook in het Koninklijk Concertgebouw zijn weleens lege plekken, en die hebben een kleinere zaal.’
J: ‘In Amsterdam kun je bij wijze van spreken op het podium poepen en dan heb je een volle zaal. Hier in Rotterdam werkt dat niet. Als je iets doet waar het publiek geen zin in heeft, komt het niet meer ook.’
M: ‘Die serie proms liepen ongelooflijk goed, maar dan werd er een stuk van Varèse tussen geprogrammeerd, iets als Amériques, toen kwam het niet meer vol. Daar zijn mensen op afgeknapt.’
J: ‘Rotterdammers laten zich niet besodemieteren en doen niet alsof ze iets leuk vinden.’

De komst van Gergiev
J: ‘De manier waarop hij ons wilde laten spelen, was echt heel anders dan we gewend waren. Heel intens. Ik vind hem echt een magiër, hij kan echt overal wat moois van maken. Soms denk je weleens: doe normaal, laat gewoon zien wat de bedoeling is, maar ik vind spelen met hem wel vallen onder de hoogtepunten die we hadden met dirigenten.’ M: ‘Ik vind dat ook, maar hij kan inderdaad vreselijk onduidelijk zijn. Help me nou toch, vroeg ik me soms af, wat is het begin van de maat? Ik raakte daar maar niet aan gewend.’
J: ‘Hij dirigeert soms met z’n hele lijf of hij kijkt je met één oog aan: dan doorboort hij je met een blik waardoor je denkt dat je wel aan de beurt zal zijn. Soms spelen we Wagner heel langzaam; dan dirigeert hij alsof hij de schutting staat te schilderen. Maar hij is niet de enige, Simon Rattle vond het ook vervelend om de maat te slaan.’
M: ‘De stijl van Yannick staat hiermee niet in contrast, maar is wel wat duidelijker. Zeker in het begin. Elke dirigent is in zijn beginfase vooral duidelijk, op een gegeven moment beginnen ze hun eigen manier van leiden te ontdekken.’
J: ‘Dan gaan ze muzikaal doen. Ze leggen het stokje neer en maken mooie bewegingen. Alsof ze iets kneden. Dan denken wij: pizza? Effe wachten? Haha.’

Hoogtepunten
M:
‘De Tweede van Mahler met Bernard Haitink, vijftig jaar na het bombardement op Rotterdam. De sfeer was bijzonder, goede solisten, goede koren, en die avond ook een wonderbaarlijk goed orkest. Alles viel op z’n plek. Zeer indrukwekkend.’
J: ‘Parsifal met Simon Rattle, en Prokofjev 6 met Gergiev, in de Royal Albert Hall. Dat je denkt: we zitten nu in de Proms van Londen, niet de Heineken Proms, maar dé Proms. Daar kreeg het orkest een enorme boost van. Je zit op het puntje van je stoel, je voelt de adrenaline en denkt nergens anders meer aan. Als dat je overkomt, beleef je een hoogtepunt.’


Finale Tweede symfonie van Mahler onder leiding van Bernhard Haitink (1990)

Dieptepunten
M: ‘Wij zouden op tournee naar Amerika gaan, net na Nine Eleven, en dat werd afgeblazen omdat sommigen het te riskant vonden. Voor mij een enorme domper. Sinds die tijd spelen we niet meer in Carnegie Hall, toch heilige grond in New York. Ze waren daar zwaar beledigd.’
J: ‘Ik speelde als derde hoornist in Stravinsky’s Petroesjka, toen mijn leraar Piet Schijf in de zaal zat. Ik begon een halve maat te vroeg en kon wel door de grond zakken. Een collega heeft er met een paar biertjes voor gezorgd dat ik niet suïcidaal naar huis ging.’

Toekomstmuziek?
M: ‘Ik vind hoorn spelen nog steeds ontzettend leuk, maar – en iemand die zegt dat het niet zo is die liegt dat-ie barst – hoe ouder je wordt hoe meer energie en tijd je erin moet steken om op datzelfde niveau te blijven. En dat ben ik gewoon spuugzat. Ik vind het mooi geweest.’
J: ‘Tuurlijk zijn we muziekliefhebbers, maar dit is ook ons vak. Als ik er straks uitstap, heb ik professioneel 46 jaar aan dat ding zitten kluiven. Je moet er ook een keer mee ophouden. Ik lever mijn hoorn in en dan ben ik er klaar mee.’
M: ‘Als ik speel wil ik dat ook nog steeds hartstikke goed kunnen doen en dan zit ik weer elke dag te studeren. Daar pieker ik niet over. Wel blijf ik nog twee jaar lesgeven op twee conservatoria en ga ik proberen een beeldarchief op te zetten voor het orkest. Ik vind dat een orkest als dit zijn geschiedenis niet alleen in boek maar ook in beeld moet hebben. Ik ga voor 50 procent met pensioen.’
J: ‘Het is alles of niks bij ons. De inleiding van de Eerste van Mahler, speelde ik vroeger op één adem. Dat gaat me nu niet meer lukken en het is mijn eer te na om halverwege adem te halen. Je moet het beste uit jezelf halen en je wilt ook niet de minste zijn. Wat dat betreft blijven we haantjes.’

Martin en Jos zijn in Rotterdam voor het laatst samen te horen tijdens het concert Mahler 3 met Lahav Shani.

Dit artikel verscheen eerder in Intrada, het kwartaalblad van het Rotterdams Philharmonisch Orkest

Cookies
Wij maken gebruik van cookies. Dit zijn kleine tekstbestandjes die op je computer, tablet of telefoon worden opgeslagen. Hiermee zorgen wij er onder andere voor dat onze website goed werkt en kunnen wij onze content afstemmen op de interesses van onze bezoekers.
Meer informatie over cookies