Programmatoelichting
De Achtste van Dvořák

do 23 mei 2019 • 20.15 uur
vr 24 mei 2019 • 20.15 uur
zo 26 mei 2019 • 14.15 uur

dirigent Manfred Honeck
viool Frank Peter Zimmermann

Antonín Dvořák 1841-1904
Rusalka Fantasy, orkestsuite uit de opera Rusalka [1900]
arr. Honeck/Ille [2015]
Nederlandse première

Bohuslav Martinů 1890-1959
Concert voor viool en orkest nr. 2, H. 293 [1943]
• Andante – Poco allegro
• Andante moderato
• Poco allegro

Pauze

Antonín Dvořák
Symfonie nr. 8 in G, op. 88 [1889]
• Allegro con brio
• Adagio
• Allegretto grazioso
• Allegro ma non troppo

Einde concert circa 22.20/16.20 uur

Een uur voor aanvang van het concert geeft Gijsbert Kok een inleiding op het programma, toegang € 5. Kaartjes zijn aan de zaal te verkrijgen tegen pinbetaling. Voor Vrienden is de inleiding gratis.

-----

Niet Engels maar Tsjechisch

Doorgaans is een ruzie tussen een componist en zijn uitgever niet iets om uitgebreid bij stil te staan maar als er een misleidende bijnaam uit voortkomt wordt het een ander verhaal. De Achtste symfonie van Dvořák wordt de ‘Engelse’ genoemd omdat hij het stuk liet uitgeven bij Novello in Londen. Er is niets Engels aan deze muziek, integendeel. Juist het belang dat Dvořák hechtte aan zijn eigen Tsjechische cultuur, en dus zeker aan de spelling van zijn eigen voornaam, zorgde voor een breuk. En een te lage vergoeding.

Vanaf 1878 was Fritz Simrock in Berlijn Antonín Dvořáks vaste uitgever. Johannes Brahms, die het jonge talent had ontdekt, bracht hen met elkaar in contact en met de Slavische dansen begon het internationale succes dat Simrock geen windeieren zou leggen. Twaalf jaar later had Dvořák inmiddels een grote naam opgebouwd en vond hij duizend mark voor zijn Achtste symfonie veel te weinig. Bovendien accepteerde hij niet meer dat Anton of Ant. als voornaam zou worden afgedrukt. Na een uitgebreide briefwisseling met Simrock zocht hij tenslotte zijn heil bij Novello, die dan ook wel zijn Requiem wilde hebben, want dat zou in Engeland zeker beter verkopen dan een nieuwe symfonie.

Verhalen vertellen
Dvořák maakte zich niet alleen los van zijn Berlijnse uitgever, bij het componeren had hij ook al afstand genomen van zijn mentor Brahms, wiens invloed altijd groot geweest was. Deze reageerde dan ook teleurgesteld op de symfonie: te fragmentarisch; wel mooi en pakkend, maar te veel bijzaken. Maar Dvořák had bewust een nieuwe richting gekozen en zijn fantasie de vrije loop gelaten. ‘Mijn hoofd zit vol ideeën, de melodieën vliegen op me af. Mijn hand kan het tempo niet bijbenen om ze allemaal op te schrijven.’

Dvořák componeerde zijn Achtste symfonie in zijn buitenhuis in Vysoka, waar hij de rust vond van de natuur. Je hoort vogelgeluiden en volksmuziek, maar ook zijn geloof, zoals dat doorklinkt in de openingsmaten, is bij Dvořák verbonden met de natuur. Het tweede deel doet sterk denken aan een pianowerk uit dezelfde periode, In het oude kasteel, het Trio van het derde deel citeert een aria uit een vroege opera, De stijfkoppen, en de finale opent met een patriottische fanfare. Dvořák wilde verhalen vertellen, zelfs in zijn symfonieën.

Alleen nog opera
Die lijn wordt verder doorgetrokken in Amerika, waar hij een aantal jaren lesgeeft, met zijn Negende symfonie; Aus der neuen Welt, ver weg van Brahms. Na terugkeer componeert hij een viertal symfonische gedichten over Tsjechische volksverhalen. Daarna is het alleen nog opera, ‘de meest geschikte schepping voor het volk’. Het muziektheater was ook de plek waar hij ooit zijn carrière begon, als altviolist, in de tijd dat in Praag de eerste Tsjechische opera’s van Smetana in première gingen. Met Rusalka (1900) slaagt hij erin, aan het eind van zijn loopbaan, een waardig opvolger te componeren, die vanaf het begin, en niet alleen bij zijn landgenoten, groot succes heeft. Het sprookje, deels gebaseerd op Andersens De kleine zeemeermin, gaat over de waternimf Rusalka die verliefd is op een knappe prins en daarvoor de hulp inroept van een heks. De prins beantwoordt aanvankelijk de liefde maar trouwt, omdat zij moet zwijgen, uiteindelijk toch met een ander en ze leven allerminst lang en gelukkig. Rusalka eindigt als dwaallicht en kust haar prins, die spijt heeft gekregen, de dood in. Het huwelijksbal uit de tweede acte is de openingsmuziek van de Fantasy die dirigent Manfred Honeck zelf heeft samengesteld. Daarna komen de nimfen, de heks Jezi Baba en de watergeest langs. Rusalka’s beroemde ‘Lied aan de maan’ uit de eerste acte, hier als vioolsolo, kan natuurlijk niet ontbreken.

Sonoriteit
De fakkel in het muziektheater zal worden overgenomen door Dvořáks landgenoot en goede vriend Leoš Janáček. Vanaf het midden van de twintigste eeuw, als Janáček ook is overleden, is het vooral Bohuslav Martinů die, voornamelijk vanuit het buitenland, de Tsjechische muziek op de kaart zet. Hij werd in 1890 geboren in een kerktoren, 193 traptreden hoog, in Polička. Daar ontwikkelde hij zich tot een gesloten persoonlijkheid met een groot muzikaal talent, als violist en al jong ook al als componist. Zijn carrière gaat niet van een leien dakje. Hij arriveert in 1923 met een studiebeurs in Parijs waar hij jarenlang in armoede leeft maar zijn talent wordt tenslotte wel herkend. Dirigent Serge Koussevitsky speelt daarin een grote rol. Hij is het ook die hem in de Verenigde Staten, waar Martinů in 1941 op de vlucht voor de nazi’s arriveerde, de opdracht voor zijn Eerste symfonie verstrekt. Bij een uitvoering door Koussevitsky’s Boston Symphony Orchestra zit de beroemde Russisch-Amerikaanse violist Mischa Elman in de zaal, die zo enthousiast is dat hij een vioolconcert van Martinů wil. Deze kent Elman niet en wil eerst een recital van hem horen, zodat hij een werk op maat kan componeren. Zo schrijft Martinů in het voorjaar van 1943 binnen twee maanden een vioolconcert dat de karakteristieken van Elmans spel goed uit laat komen: zijn voorkeur voor nobele en elegante melodieën, voor langzame tempi en voor de sonoriteit van de viool. Elman was befaamd om zijn prachtige toon. Maar ook de Tsjechische wortels zitten onmiskenbaar in deze muziek. Martinů zou wegens politieke omstandigheden niet meer naar zijn vaderland terugkeren. Hij stierf in 1959 in Zwitserland. Maar zijn vriend Karel Šebánek droeg er na de oorlog zorg voor dat de partituur in 1949 in Praag kon worden uitgegeven.

Eelco Beinema

-----

Manfred Honeck

Dirigent
Geboren: Nenzing, Oostenrijk
Huidige positie: chef-dirigent Pittsburgh Symphony Orchestra
Studie: Wiener Musikacademie
Prijzen: European Conductor’s Award (1993)
Orkestervaring: als altviolist van de Wiener Staatsoper en de Wiener Philharmoniker
Daarna: muzikaal leider Opernhaus Zürich; chef-dirigent Zweeds Radio Symfonieorkest; chef-dirigent Staatsoper Stuttgart
Gastdirecties: Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, Gewandhausorchester Leipzig, Staatskapelle Dresden, London Symphony Orchestra, Wiener en Berliner Philharmoniker, Koninklijk Concertgebouworkest, Chicago Symphony Orchestra, Cleveland Orchestra, Boston Symphony Orchestra
Debuut Rotterdams Philharmonisch: 1995


Frank Peter Zimmermann

Viool
Geboren: Duisburg, Duitsland
Studie: bij Valery Gradov, Saschko Grawriloff en Herman Krebbers
Prijzen: Rheinischer Kulturpreis (1994); Musikpreis der Stadt Duisburg (2002); Bundesverdienstkreuz 1. Klasse der Bundesrepublik Deutschland (2008); Paul-Hindemith-Preis der Stadt Hanau (2010)
Gesoleerd bij: alle grote orkesten in Europa, Verenigde Staten, Japan, Zuid-Amerika, Australië
Premières: werken van Magnus Lindberg, Matthias Pintscher, Peter Eötvös, Augusta Read Thomas
Kamermuziekpartners: pianisten Enrico Pace, Piotr Anderszewski, Emanuel Ax
Ensemble: Trio Zimmermann met altist Antoine Tamestit en cellist Christian Poltéra
Instrument: ‘Lady Inchiquin’-Stradivarius uit 1711
Debuut Rotterdams Philharmonisch: 1985

Cookies
Wij maken gebruik van cookies. Dit zijn kleine tekstbestandjes die op je computer, tablet of telefoon worden opgeslagen. Hiermee zorgen wij er onder andere voor dat onze website goed werkt en kunnen wij onze content afstemmen op de interesses van onze bezoekers.
Meer informatie over cookies