Programmatoelichting
Zomeravond met Lahav Shani

vr 23 augustus 2019 • 20.15 uur

dirigent en piano Lahav Shani

Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791
Concert voor piano en orkest nr. 27 in Bes, KV 595 [1791]
• Allegro
• Larghetto
• Allegro

Pauze

Anton Bruckner 1824-1896
Symfonie nr. 5 in Bes, WAB 105[1875-76; rev. 1877-79]
• Introduktion. Adagio – Allegro
• Adagio. Sehr langsam
• Scherzo. Molto vivace (schnell) – Trio. Im gleichen Tempo
• Finale. Adagio – Allegro moderato

Einde concert circa 22.40 uur

Vorige uitvoering door ons orkest
Mozart Pianoconcert nr. 27: dec 2017, piano Nicholas Angelich, dirigent Yannick Nézet-Séguin
Bruckner Vijfde symfonie: okt 2017, dirigent Jaap van Zweden

Een uur voor aanvang van het concert geeft Olga de Kort een inleiding op het programma, toegang € 5. Kaartjes zijn aan de zaal te verkrijgen tegen pinbetaling. Voor Vrienden is de inleiding gratis.


-----

Spelen met de traditie

De confrontatie tussen een ‘late’ Mozart en een Bruckner ‘in de bloei van zijn leven’ lijkt een vreemde. Maar de combinatie – de jeugdig-overmoedig klinkende Mozart naast de immer onzekere Bruckner – wérkt uitstekend.

Schreef Mozart in de jaren 1782-1786 vijftien concerten voor de piano, tussen de premières van de laatste twee gaapt een ‘gat’ van drie concertseizoenen. Op z’n 35ste waren de jaren van succes als pianovirtuoos een beetje voorbij: met opera’s trok Mozart nu volle zalen. Een paar maanden voor zijn dood in 1791 speelde hij zijn Concert in Bes voor het eerst in het openbaar in Wenen. Inmiddels vermoedt men dat hij de opzet ervan ook al in 1788 maakte. Meer dan in zijn voorgaande pianoconcerten probeert Mozart in zijn laatste twee de solopartij in het orkest te integreren. In het Pianoconcert in Bes zijn de rollen soms zelfs omgekeerd. Dan treedt de solist op als de begeleider van het orkest, of speelt jachthoornachtige motieven die een minder oorspronkelijk componist aan hoorns of andere blazers zou toebedelen. Van meet af aan zorgt Mozart voor verrassingen. Nog terwijl de strijkers in de orkestrale inleiding de soepele hoofdmelodie introduceren die de rest van het werk zal bepalen wordt deze geïnterrumpeerd door een gepuncteerd motief in de blazers, alsof je kennismaakt met verschillende operapersonages.

Engelachtig
Opvallend zijn ook de contrasten in geluidsniveau tussen piano (zacht) en forte (luid). En hoewel het stuk is geschreven in Mozarts zonnigste toonsoort Bes-groot, krijgt de hoofdmelodie al snel iets ‘mineurigs’. Als Mozart met zijn basismateriaal ‘speelt’ in de doorwerking doet hij de meest onwaarschijnlijke toonsoorten aan: na Bes-groot (twee mollen) volgen b-klein (2 kruisen), C-groot (zonder voortekens), es-klein (6 mollen), en dat vaak met slechts een of enkele ‘overgangsakkoorden’. In een gemiddelde popsong zijn zulke dramatische modulaties – soms niet meer dan ‘een toontje hoger’ – weliswaar heel gewoon, in Mozarts dagen was dat ongehoord. De opening van het langzame middendeel doet bijna kinderlijk, zelfs engelachtig aan. Beide handen van de pianist blijven goeddeels aan de rechterkant van het klavier, en ook in de orkestpartijen ontbreken zware ‘bassen’. Met de kennis achteraf dat dit pianoconcert een van Mozarts laatste grote werken zou worden, vermoedden sommigen er toch een zekere duistere ondertoon. Maar wíst Mozart dat zijn eind naderde? In zijn werkcatalogus volgen nog pagina’s vol nieuwere composities. Bovendien is de hoofdmelodie van de finale sterk verwant met het werk dat hij onmiddellijk hierna voltooide: het luchtige lied Sehnsucht nach dem Frühlinge (verlangen naar het voorjaar). De heftige contrasten in de finale cadens – Mozart schreef zijn grillige cadensen tegen de gewoonte in helemaal uit, alsof hij wilde voorkomen dat iemand na hem daar lelijke dingen zou gaan doen – zijn in elk geval goddelijk.

Darmsnaren
Als pianist kun je aan Bruckner minder beleven. Hij schreef geen soloconcerten, en zijn piano-oeuvre bleef beperkt tot een enkele quadrille en ander ‘klein spul’ dat tijdens zijn leven niet eens werd gepubliceerd. Het orkest was, met het orgel en het koor op een gedeelde tweede plaats, zijn instrument. Hoewel we inmiddels gewend zijn aan het geluid van een twintigsteeeuws orkest, was het orkest zoals Bruckner het kende nog niet heel anders dan dat van Mozart en Beethoven. De strijkinstrumenten waren met darmsnaren bespannen, de stemming was nog niet zo ‘evenredig zwevend’ als op een moderne piano, de houtblazers produceerden een sterk diverse klank – ook in de verschillende registers van ieder instrument – en de koperblazers klonken minder luid dan nu.
Dirigenten als Harnoncourt, Norrington en Herreweghe zochten een weg ‘terug’ naar Bruckners tijd. Maar ook als je voor een ‘modern’ orkest staat, moet je keuzes maken over de juiste balans in tempo, klankkleur en volume. Zeker de Vijfde symfonie vergt wat dat betreft een groot onderscheidingsvermogen: er zijn krachtige melodieën en tegenmelodieën, een bijna bachiaanse opening en zelfs een gigantische fuga in het slotdeel, dat Bruckner zelf als zijn ‘kontrapunktisches Meisterstück’ beschouwde. Moet de dirigent kiezen voor een ‘terrassendynamiek’ – zoals verschillende registers op verschillende klavieren van een orgel verschillende kleuren en volumes kunnen genereren – of juist voor minder extreme contrasten?

Details
De precieze articulatie van zijn melodieën en de hoeveelheid crescendi en decrescendi liet Bruckner, net als Mozart, over aan de kundige dirigent; hij noteerde doorgaans weinig voordrachttekens in zijn partituren. Maar juist in de Vijfde noteerde hij meer details dan ooit. Na voltooiing in 1876 in Wenen besloot hij zijn eerdere symfonieën te herzien, en vooral de proporties van de afzonderlijke secties te verduidelijken – want juist die waren voor hem essentieel. Ook de Vijfde kreeg in 1878 pas haar definitieve vorm. Maar gehoord heeft Bruckner deze symfonie nooit, behalve in een versie voor twee piano’s. Toen zijn leerling Franz Schalk het werk in april 1894 eindelijk kon dirigeren (in een door Schalk stevig gereviseerde lezing) was Bruckner al te ziek om de première in Graz bij te wonen. In concertprogramma’s worden Mozarts laatste pianoconcert en deze Vijfde Bruckner niet standaard met elkaar gecombineerd. Noem het toeval, maar tóch kun je overeenkomsten waarnemen. De lange (langzame) inleiding van Bruckner bevat net als bij Mozart al de belangrijkste bouwstenen van het werk: in dit geval het contrapunt (het bijna-barokke spel tussen duidelijk onderscheiden melodieën), de spannende dissonanten, de uitzonderlijke toonsoortwisselingen, een blazerskoraal... Net als Mozart speelt Bruckner verschillende orkestgroepen – blazers versus strijkers – steeds tegen elkaar uit. En hoewel de spanningsboog bij Bruckner een volledig andere is, biedt ook hij steeds verrassingselementen en verenigt hij nieuwe samenklanken met een ‘o zo ouderwetse’ contrapuntische techniek.
Onno Schoonderwoerd


-----
 

Lahav Shani

Dirigent
Geboren: Tel Aviv, Israël
Huidige positie: chef-dirigent Rotterdams Philharmonisch Orkest; vaste gastdirigent Wiener Symphoniker; vanaf 2020/21 music director Israel Philharmonic Orchestra
Studie: piano aan de Buchmann-Mehta School of Music Tel Aviv; piano en directie aan de Hochschule für Musik ‘Hanns Eisler’ Berlijn; mentor: Daniel Barenboim
Doorbraak: 2013, na het behalen van de eerste prijs van het Gustav Mahler Dirigentenconcours in Bamberg 
Daarna: gastdirecties Berliner Staatskapelle, Berliner Staatsoper, Wiener Philharmoniker, Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, Staatskapelle Dresden, Tonhalle Orchester Zürich, Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin, Philharmonia Orchestra, Philadelphia Orchestra, Pittsburgh Symphony Orchestra, Seoul Philharmonic Orchestra, Koninklijk Concertgebouworkest
Debuut Rotterdams Philharmonisch: 2016

Cookies
Wij maken gebruik van cookies. Dit zijn kleine tekstbestandjes die op je computer, tablet of telefoon worden opgeslagen. Hiermee zorgen wij er onder andere voor dat onze website goed werkt en kunnen wij onze content afstemmen op de interesses van onze bezoekers.
Meer informatie over cookies