Programmatoelichting
Brahms met Emanuel Ax

Printversie programmatoelichting (pdf)

vr 6 december 2019 • 20.15 uur
zo 8 december 2019 • 14.15 uur

dirigent Lahav Shani
piano Emanuel Ax

Johannes Brahms 1833-1897
Concert voor piano en orkest nr.1 in d, op. 15 [1854-59]
• Maestoso
• Adagio
• Rondo. Allegro non troppo

Pauze

Béla Bartók 1881-1945
Concert voor orkest Sz. 116 [1943]
• Introduzione. Andante non troppo
• Gioco delle coppie. Allegro scherzando
• Elegia. Andante non troppo
• Intermezzo interrotto. Allegretto
• Finale. Pesante – Presto

Einde concert circa 22.20 uur (vrijdag)/16.20 uur (zondag)

Vorige uitvoering door ons orkest:
Brahms Eerste pianoconcert: feb 2015, piano Hélène Grimaud, dirigent Yannick Nézet-Séguin
Bartók Concert voor orkest: jan 2013, dirigent Michel Plasson

Een uur voor aanvang van het concert geeft Jan-Willem van Ree een inleiding op het programma, toegang € 5. Kaartjes zijn aan de zaal te verkrijgen tegen pinbetaling. Voor Vrienden is de inleiding gratis.

De concerten worden opgenomen en op zondag 15 december 14.00 uur uitgezonden door AVROTros op Radio 4.

-----

Streven naar het ideaal

Perfectionisme komt bij componisten net zo vaak voor als bij andere beroepen. Het mag soms een wonder heten dat Brahms, Bruckner, Tsjaikovski of Bartók überhaupt nog afstand van hun werken konden nemen om ze naar (on)geduldig wachtende uitvoerders en uitgevers te sturen. En dan zijn er ook nog componisten die jarenlang aan hun stukken blijven schaven, in de hoop ooit hun klank- en vormideaal te bereiken.

Tien vingers
Het kostte Johannes Brahms vier jaar om zijn Eerste pianoconcert te voltooien. De eerste schetsen werden gemaakt in 1854, toen hij bij het publiek al bekend stond als componist van drie pianosonates en vier ballades. Aanvankelijk dacht hij aan een sonate voor twee piano’s of een grootschalige symfonie, maar aangemoedigd door zijn vrienden-dirigenten Julius Otto Grimm en Joseph Joachim veranderde hij halverwege van gedachte. Het Pianoconcert kreeg wel een symfonisch gestalte en sprak muziekcritici (en later ook publiek) aan door zijn polyfone schrijfwijze, rijke harmonieën en ingenieuze stemvoering. Pianisten waren ook zeer tevreden: ze kregen van Brahms, die zelf een uitstekende pianist was, ontelbare mogelijkheden hun technische kunnen en de beheersing van het instrument te demonstreren. Daarmee bedoelde hij trouwens geen virtuoze passages à la Liszt, want een ‘gewone pianist’ had, volgens Brahms, maar tien vingers die hij of zij niet per se met onmogelijke passages hoefden te breken.

Niettemin is het Eerste pianoconcert virtuoos genoeg om voor voldoende uitdaging voor een solist te zorgen. De eerste proef wordt al in het openingsdeel Maestoso afgelegd. Het daaropvolgende verstilde Adagio is Brahms’ hommage aan Schumann. Boven aan de pagina noteerde hij namelijk ‘Benedictus qui venit in nomine Domini’, en het was geen geheim dat hij zijn oudere collega vereerde en ‘mein Herr Domine” noemde. Ook hier krijgt een solist de kans om een zangerig romantisch thema uit te werken, dat nogmaals in de finale terugkomt. In dit afsluitende Rondo past de componist zijn favoriete variatie-vorm toe, dat voor veel melodische contrasten en ritmische diversiteit zorgt.

Toegankelijke introductie
Béla Bártok componeerde heel snel, maar had wel de gewoonte om zijn stukken meteen na de eerste uitvoeringen aan te passen, in te korten, uit te breiden of gewoonweg te herschrijven. Menig orkestmusicus werd wanhopig bij het zien van steeds weer nieuwe pagina’s met Bartóks correcties. In zijn jonge jaren liet de Hongaarse componist en pianist van zich spreken als het enfant terrible van de klassieke muziek. Net zoals Sergej Prokofjev in Rusland schiep ook hij genoegen in het choqueren van het publiek. Zijn Allegro barbaro en de balletmuziek bij de Wonderbaarlijke mandarijn deden veel stof opwaaien vanwege de enerverende en scherpe klanken in de meest grillige ritmes. Het Concert voor orkest is het werk van een componist die zijn wilde haren inmiddels kwijt is, maar het nog steeds leuk vindt om zo af en toe tegendraads te zijn en onvoorspelbaar uit de hoek te komen. Niet voor niets wordt het gezien als de meest toegankelijke introductie tot Bartóks muziek. Meteen na de première met het Boston Symphony Orchestra op 1 december 1944, riep de dirigent Serge Koussevitzky het uit tot ‘het beste werk van de laatste 25 jaar’. Zelf twijfelde Bartók nogal eens aan het meesterwerkgehalte van zijn nieuwe opus, maar het publiek reageerde net zo enthousiast als de dirigent en het Concert werd snel populair. Bartók werd vaak gevraagd naar de titel. Waarom een concert voor orkest en geen symfonie? De verklaring ligt in de manier waarop de componist de verschillende instrumentgroepen behandelt. Hout- en koperblazers, strijkers, slagwerkers en harpisten, ze zijn allemaal solisten, die gedurende het hele Concert regelmatig ‘aan het woord’ komen. Bartók gebruikte hier het idee van het traditionele concerto grosso uit de achttiende eeuw met zijn wedijverende instrumentale groepen.

Amerikaans
Dit overwegend opgewekte Concert heeft ook een nogal opvallende opbouw. De centrale Elegia wordt omringd door bewegelijke, scherzo-achtige delen. Volgens Bartók vormden ze ‘een geleidelijke overgang van de soberheid van het eerste deel naar de energieke bevestiging van het laatste deel’. De Introduzione wordt geopend met een langzaam thema waarbij een kwarten-progressie aan de traditionele Hongaarse folklore herinnert. De karakteristieke pentatonische motieven komen later in het vierde deel terug. In het tweede deel, Gioco delle coppie (spel van de paren), worden de instrumenten per twee gegroepeerd. Vijf koppels zetten op verschillende momenten in, totdat de twee harpen met hun glissando’s een eind aan dit spel maken. Na de lyrische Elegia volgt het Intermezzo interrotto (ondergebroken Intermezzo), dat vol zit met muzikale citaten. Naast een thema op een pentatonisch motief uit de Hongaarse folklore en een foxtrot, herkent de oplettende luisteraar hier ook citaten uit de Zevende symfonie van Dmitri Sjostakovitsj en Lehárs Lustige Witwe. De energieke en vrolijke dansritmes zijn weer van de partij in de Finale, die tot een dubbele fuga uitgroeit. Deze populaire thema’s, opgewekte vrolijkheid en het zekere relaxte gevoel die het concert uitstraalde, zorgden er wel voor dat Bartók werd beschuldigd van conservatisme en zelfs ‘amerikanisme’.

Tijdens zijn werk aan het Concert voor orkest woonde Béla Bartók in het dorp Saranac Lake, ten noorden van New York. Hij verbleef daar op uitnodiging van de American Society of Composers die zich over de uit Hongarije gevluchte componist ontfermde. Van al zijn orkestmuziek, kamermuziek en pianowerken is dit Concert voor orkest inderdaad het meest ‘Amerikaans’ als je daarmee de optimistische sfeer bedoelt. Die staat overigens in schril contrast tot de werkelijke situatie van Bartók op dat moment. De componist was ongeneeslijk ziek en overleed twee jaar na de première van zijn Concert voor orkest. Voor zijn dood heeft hij nog wel de Finale gereviseerd.

Olga de Kort

-----

Lahav Shani

Dirigent
Geboren: Tel Aviv, Israël
Huidige positie: chef-dirigent Rotterdams Philharmonisch Orkest; vaste gastdirigent Wiener Symphoniker; vanaf 2020/21 music director Israel Philharmonic Orchestra
Studie: piano aan de Buchmann-Mehta School of Music Tel Aviv; piano en directie aan de Hochschule für Musik ‘Hanns Eisler’ Berlijn; mentor: Daniel Barenboim
Doorbraak: 2013, na het behalen van de eerste prijs van het Gustav Mahler Dirigentenconcours in Bamberg
Daarna: gastdirecties Berliner Staatskapelle, Berliner Staatsoper, Wiener Philharmoniker, Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, Staatskapelle Dresden, Tonhalle Orchester Zürich, Rundfunk- Sinfonieorchester Berlin, Philharmonia Orchestra, Philadelphia Orchestra, Pittsburgh Symphony Orchestra, Seoul Philharmonic Orchestra, Koninklijk Concertgebouworkest
Debuut Rotterdams Philharmonisch: 2016

Emanuel Ax

Piano
Geboren: Lviv, Oekraïne
Studie: Juilliard School of Music New York bij Mieczysław Munz
Prijzen: Michaels Award of Young Concert Artists (1975); Avery Fisher Prize New York (1979)
Doorbraak: 1974, met het winnen van de Arthur Rubinstein International Piano Competition in Tel Aviv
Premières: werken van John Adams, Christopher Rouse, Krzysztof Penderecki, Bright Sheng, Melinda Wagner, Heinz Karl Gruber, Samuel Adams
Kamermuziekpartners: violisten Isaac Stern, Young Uck Kim, Cho-Liang Lin, Jaime Laredo; cellist Yo-Yo Ma; contrabassist Edgar Meyer, Peter Serkin
Debuut Rotterdams Philharmonisch: 1980

Cookies
Wij maken gebruik van cookies. Dit zijn kleine tekstbestandjes die op je computer, tablet of telefoon worden opgeslagen. Hiermee zorgen wij er onder andere voor dat onze website goed werkt en kunnen wij onze content afstemmen op de interesses van onze bezoekers.
Meer informatie over cookies