Ga direct naar: Hoofdinhoud
Ga direct naar: Hoofdnavigatie

Afscheidsinterview met Lahav Shani

04 mei 2026
10 min leestijd

Tien jaren zijn omgevlogen. Lahav Shani verlaat het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het gezelschap waarvan hij de jongste chef in de geschiedenis was. Maar dit is geen einde: Shani is straks eredirigent, en bovendien: ‘Rotterdam is mijn familie.’

Lahav Shani houdt afstand, een seizoensgebonden hoestje. Na de repetitie in de Doelen worden er gemberthee en partjes mandarijn voor hem gehaald. De chef is in goede handen.

‘Ik vind het een feest om hier te zijn’, zegt Shani terwijl hij het zich gemakkelijk maakt op een van de banken in de dirigentenkamer. Hoe komt dat? ‘Ik weet het niet, maar vanaf de eerste minuut heb ik het naar mijn zin in Rotterdam. En ik kan je vertellen dat onze band, de verbintenis tussen mij en het orkest, de laatste jaren alleen maar sterker is geworden.’

Shani weet het nog heel goed, tien jaar geleden. Precies in deze ruimte, de dirigentenkamer, zat hij in de pauze van de allereerste repetitie met het Rotterdams Philharmonisch Orkest, Tsjaikovski Zes. Hij dacht: hier zou ik wel willen blijven. Een dergelijk gevoel had hij nog niet eerder meegemaakt bij een orkest. ‘Die opwinding en ontspanning tegelijk: er gebeurde iets in mij. Waar ’m dat in zit: de nieuwsgierigheid van deze musici, en ook van mij, altijd ervoor in zijn om iets nieuws te proberen, in repertoire, in interpretatie. De spelers zijn emotiegericht, ze zijn spontaan en absoluut bezig in het moment waarop ze muziek maken, ze durven risico’s te nemen.’

Spontaniteit
‘De muziek gebeurt’, dat gevoel heeft Shani als hij in Rotterdam op de bok staat. Hij heeft niet het idee dat hij dirigeert. ‘Muziek maken, dirigeren, het moet moeiteloos voelen, maar het is bijna onmogelijk om dat te bereiken. Ik zal er wel mijn hele leven naar streven. Soms kom je dichtbij, en wij, met dit orkest, zijn heel dichtbij gekomen.’

Wat een dirigent in zijn ogen heel goed moet kunnen, is luisteren en flexibel zijn. Je eigen wil opleggen betekent automatisch de spontaniteit uit een groep musici halen, een vorm van expressie die de spelers vanzelf geven. Daar kun je juist maar beter op ingaan, volgens Shani. ‘In geen geval wil ik de creativiteit van de musici wegnemen. Zij zitten op het podium, zij spelen, zij moeten de noodzaak voelen van wat ze doen. Dirigeren is niet initiëren, maar uitnodigen. Er is een flow, een energiestroom, en je hebt een dirigent nodig om die gaande te houden, niet om die te bepalen.’

De kop gemberthee is nog steeds vol, Shani roert er alleen af en toe in. Hij wordt in beslag genomen door het onderwerp dirigeren. ‘In Rotterdam heb ik geleerd hoe een orkest op mij reageert. Een voorbeeld: als ik dacht: hm, vandaag voelt de groep wat koeltjes – dan duurde het een tijd voordat ik doorhad dat ik dat zelf was. Je krijgt terug wat je geeft, de musici houden mij een spiegel voor. Je hebt elkaar nodig, en hoe meer ik geef, des te meer krijg ik terug.’

Kamermuziek
Shani volgde Zubin Mehta op als music director van het Israel Philharmonic Orchestra en in september van dit jaar treedt hij aan als chef-dirigent van de Münchner Philharmoniker. Twee orkesten is het maximum voor hem. ‘Je moet aanwezig zijn, je moet voorbereid zijn, je moet je focussen, en je wilt ook af en toe thuis zijn.’

In mei neemt Lahav afscheid van het orkest met vijf concerten. Daar zit ook kamermuziek bij die hij speelt met orkestmusici, achter de vleugel. Piano en contrabas zijn Shani’s instrumenten. Vanaf het begin in Rotterdam is het een bewuste keuze geweest om samen kamermuziek te maken. Op die manier kom je dichter bij elkaar, niet alleen persoonlijk, maar ook muzikaal. Je kunt gedetailleerd over muzikale ideeën praten. ‘En’, benadrukt Shani, ‘zo kunnen de musici in de spotlight staan, en niet alleen deel uitmaken van een grotere groep. Dat is voor de luisteraar ook erg leuk, zien wie iemand is.’

‘Op een ander programma staat Schönbergs Verklärte Nacht, daar kijk ik erg naar uit. We zijn al langer van plan om iets uit te voeren waarin de strijkers alle aandacht krijgen. Fantasie, kleur, daar heb je het vaak over als je met blazers repeteert. Strijkers, dat is een ander verhaal. Je kunt in kleuren en metaforen praten, maar je moet ook heel precies zijn. Verklärte Nacht is misschien wel het beste stuk ooit geschreven voor strijkers – het is extreem expressief, rijk en diep.’

Zou hij niet het liefst zelf meespelen? ‘Ik geef toe dat ik vaak het gevoel van zelf geluid maken mis. Als ik de contrabas omarm en strijk, vibreert mijn hele lichaam mee. Het is een illusie dat je als dirigent geluid maakt, en toch heb je na vele jaren het gevoel dat het geluid uit je komt. Ik mis ook het deel uitmaken van een groep, het menselijke aspect. Als dirigent concentreer je je volledig op de muziek. In een instrumentgroep kun je een grapje maken met je lessenaargenoot.’ Dat is waarom Shani verliefd werd op het repertoire voor symfonieorkest; door het spelen in een orkest kwam hij op het dirigeren.

Sopraan Chen Reiss is ook van de partij, in Mahlers Vierde symfonie, tijdens een ander programma. Ze is een goede vriendin en landgenote van de Israëlische dirigent, en was eerder Artist in Residence bij het orkest.

Toch een slok thee nu. Shani houdt dapper vol, praat tussen een droog hoestje door. ‘Ieder seizoen heb je Mahler nodig’, zegt hij met een glimlach. ‘Het Rotterdams speelt Mahler alsof de muziek voor deze musici geschreven is. Groot, symfonisch, rijk van kleur, het orkest excelleert daarin. Tegelijkertijd geeft deze muziek ruimte voor individualiteit. Mahler is kamermuzikaal.’

Wonderkind
Ook wilde Shani een opdrachtcompositie uitvoeren. Hij had Tsotne Zedginidze op de radar, een interessant geval. Georgisch, piepjong, uit 2009. ‘Toen hij twaalf was speelde hij zijn eigen muziek voor mij voor, op de piano. Ik kon niet geloven wat ik hoorde. Ik heb verschillende wonderkinderen mogen ontmoeten; die kunnen op jonge leeftijd iets heel goed, maar is het interessant wat ze doen? Ik hoorde Tsotne en dacht: dit is iemand met een unieke stem, wat hij speelde klonk natuurlijk en intuïtief. Ik had de eerste echte eenentwintigste-eeuwse componist ontmoet. Iemand die sterk leunt op Berg, Sjostakovitsj. Debussy is ouderwets voor hem.’

Was Shani zelf een wonderkind? ‘Ach, ik was handig op de piano, ik kon een symfonie naspelen op achtentachtig toetsen. Maar het gaat erom wat er daarna gebeurt: wat pik je op, heb je een sterke persoonlijkheid? Ik was anders, maar of ik een wonderkind was, ik weet het niet. Wat ik wel wist, is dat ik musicus wilde worden. Ik had één doel, en dat was muziek maken met goede musici, maar niet om succesvol te zijn. Ik wilde geen compromissen sluiten, muzikaal, in muzikale expressie. Ik wil omringd zijn door mensen die me kunnen optillen en die ik kan optillen. En dat is precies wat hier in dit orkest gebeurt.’

Daarbij is Shani’s ideaal: musiceren vanuit een combinatie van intuïtie en analyse. ‘Waar gaat een stuk over, waar neemt het je mee naartoe? Eerst wil ik begrijpen waar een stuk over gaat, de stijl, de structuur aanvoelen. En daarna mezelf bevrijden van het rationele, dat is mijn streven. Het begrip van een stuk moet onderdeel zijn geworden van je muzikale DNA.’

Hij zag dit bij Daniel Barenboim, zijn belangrijkste mentor. Een jaar of twintig was Shani toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten. Barenboims muzikantschap noemt hij een voorbeeld van de juiste balans tussen analyse en spontaniteit. ‘En mijn god, wat heb ik veel van hem geleerd over wat een orkest allemaal kan: balans, kleuren, soorten klank, harmonie, stemming. Ik heb goed kunnen bestuderen hoe hij in de opera met zangers werkte. De echte grote musici kunnen muzikaal flexibel zijn. Ze zitten niet vast aan een interpretatie, en toch herken je altijd hun handtekening, hun besef van schoonheid, van articulatie.’

Ander voorbeeld: Martha Argerich, toch? ‘Absoluut, een prachtmens. Ze komt volgend seizoen Beethovens Eerste pianoconcert spelen, ik ben dan terug als eredirigent. Trouwens, Rotterdam is mijn familie, ik ben echt niet weg – het is een kunst om een orkest als chef te verlaten op het juiste moment, en niet als je genoeg hebt van elkaar.’

Terug naar Argerich: Shani groeide op met haar muziek, nooit had hij gedacht dat hij haar zou ontmoeten, laat staan dat ze bevriend zouden raken. ‘Ze is gevoelig, introvert, niet iemand die bezig is met succes en een carrière. Ze werkt enorm hard, nog steeds, om op dit niveau te blijven. Tegelijkertijd komt alles zo natuurlijk bij haar. Niemand van boven de tachtig speelt zo. Hier kunnen we alleen maar van dromen. Ze bevraagt alles, neemt niets voor lief. Het gekke is: als je haar hoort, dan is dat de enige manier waarop het kan, en het is spontaan wat ze doet.’

Obsessie
Wat betekent muziek maken voor Lahav Shani? ‘Muziek is een deel van mijn identiteit. Het is ook een sociale identiteit, net als je taal. Muziek is weer een andere gemeenschappelijke taal. Als je mij zou droppen op een onbewoond eiland ben ik nooit alleen, ik kan muziek horen in mijn hoofd, zonder instrumenten. Muziek is er de hele tijd, niet als wij nu praten – dan denk ik na over wat ik wil zeggen – maar verder: altijd, tot in mijn dromen. Noem het een obsessie. Het is hetzelfde als de lucht die je inademt: muziek is er altijd.’

Klantenservice
Nieuwsbrieven

Meld je aan voor onze tweewekelijkse agendamail en maandelijkse nieuwsbrief en blijf op de hoogte.

inschrijven