Barbara Hannigan: ‘Regisseurs benutten graag mijn plezier in fysieke expressie’

De Canadese sopraan Barbara Hannigan kan zingend dirigeren en zingend dansen. En soms doet ze alles tegelijk. Zoals in oktober met ons orkest bij Abyssal van Kyriakides met het Scapino Ballet. ‘Ik ben nog nooit gevraagd voor iets dat zó compleet was. Een absolute uitdaging.’
Twaalf jaar geleden zong Barbara Hannigan bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest een grote sopraanpartij in een liedwerk van Hans Abrahamsen, en dat was al een belevenis. Nu gaat zij én dirigeren én dansen én sopraanpartijen zingen in één voorstelling.
‘Quite a different ballgame’, zouden ze in jouw geboorteland zeggen.
‘Ik ben wel iets gewend geraakt op het gebied van dirigeren – én van zingend dirigeren. Ook zingen gecombineerd met dans staat op mijn cv. Maar inderdaad, nu dit. Ik ben nog nooit gevraagd voor iets dat zo ‘compleet’ was. Het is de next step. Een absolute uitdaging.’
Het Rotterdams Philharmonisch speelt in de orkestbak van het Nieuwe Luxor. Dansers van Scapino bewegen zich over het toneel, in een choreografie van Nanine Linning over de weidsheid van de zee. En dan moet Barbara Hannigan overal tegelijk zijn? Hoe kan dat?
‘In de bak dirigeer ik La mer en Sirènes, de grote zeecomposities van Debussy. Op het toneel zing ik en dans ik op muziek voor sopraan en elektronica van Yannis Kyriakides: episoden vooraf, aan het slot en tussen verschillende Debussy-delen door. En dan is er middenin ook een forse nieuwe compositie van Kyriakides waarin ik alles tegelijk doe: Abyssal, voor sopraan, elektronica én het orkest onder mijn leiding. Dat hebben we heel precies moeten uitknobbelen: een orkest dirigeren dat in de bak zit, terwijl ik op het podium tegelijkertijd dans en zing. Het kán, dankzij elektronische signalen die ik naar de musici in de bak stuur – cues die ook in de partituur staan. Dat gaat ze lukken, het zijn fantastische spelers.’
Nanine Linning heeft haar balletwerk over de zee en de gevaren die haar bedreigen eerder opgevoerd met het Boston Ballet. Maar dat was zónder Barbara Hannigan. En nu kom jij erbij, met volle zeilen. Geef je een eigen draai aan de voorstelling?
‘Nanine is de choreograaf en ik doe wat zij vraagt. Met alle precisie die nodig is. En wat ik ook maar zing en dans of in de orkestbak dirigeer, ik ben één personage in een complete dramaturgie. Een archetype, een soort mastermind, een zeegodin, een Sirene zo je wil.’
De zee: Linning voelt dat zij eruit voortkomt – zei ze onlangs. Als we een overeenkomst willen zien tussen haar fascinaties, die van Claude Debussy en die van jou, momenteel woonachtig aan de kust van Bretagne, dan hoeven we niet lang te zoeken?
‘De zee is het eerste waar ik elke dag naar kijk. Vanuit mijn huis! En ik hol erheen. Ik zie het tij in- en uitgaan, zó belangrijk voor me. In Canada ben ik opgegroeid in Nova Scotia, een groot schiereiland. Altijd was er de zee. Niet dat ik daardoor betere papieren heb voor het dirigeren van La mer, iemand uit de prairie moet het ook kunnen, denk ik. Maar inderdaad, ik voel een diepe connectie.’
In de balletproductie voor Boston zat poëzie van wind en water, Debussy’s specialiteit. Maar in de voorstelling zat ook tragiek en somberte. Over uitstervende diersoorten, menselijke hebzucht, olielekkages – met elektronische soundscapes van Kyriakides die titels kregen als Fracking en Dead Zone. Is er ook ruimte bij jullie voor optimisme?
‘Mmm, optimisme… Nanine heeft iets gezegd dat indruk op me maakte: “Onze oceanen zijn een theater van de menselijke tegenstrijdigheid. Kijk hoe we van ze houden, en hoe we ze behandelen als een vuilstortplaats.” Kan het nog kernachtiger? Maar er is ruimte voor hoop. En schoonheid.’
Het klinkt alsof jullie al jaren multimedia-voorstellingen met elkaar maken.
‘Het is de eerste keer. Maar wat een wonderbaarlijk mens. Het idee om samen iets te maken begon vijf jaar geleden te ontkiemen, toen Nanine bij repetities van het orkest Ludwig kwam kijken hoe ik het deed, Kurt Weill zingen en tegelijk dirigeren. Later dat jaar kwam ze naar de Opera van Brussel om me te zien in Alban Bergs Lulu. Daar zag ze me op spitzen dansen in die geweldige regie van Warlikowski. Crazy.’
De hoofdpersoon in Lulu ís tenslotte een danseres. Maar helaas, weinig sopranen beheersen die tak van kunst.
‘In een andere Lulu hoefde ik niet op spitzen te dansen, maar deed ik achterwaartse salto’s. Ik heb me altijd makkelijk bewogen, in Canada deed ik op mijn twintigste al aan dansvoorstellingen mee. Ik ben ook geen voorstander van de ouderwetse operastijl van park and bark. Stilstaan en mond open. Dankje, liever niet. Regisseurs benutten graag mijn plezier in fysieke expressie. Dat gebeurde al in Writing to Vermeer van Andriessen, in 1999 bij jullie Nationale Opera. En als ik in opera’s optreed onder regie van een danskunstenaar zoals Sasha Waltz, dan weet zij dat ik geen zanger wil zijn die daar maar staat terwijl dansers hun armen om me heen bewegen.’
Het lijkt erop dat dansen en dirigeren bij jou twee kanten zijn van dezelfde medaille: allebei een product van het zingen.
‘Voor mij zijn het uitingen van één en hetzelfde muzikantendom. En de grondslag, dat is de adem. Het deed me wel wat, toen ik las dat Leonard Bernstein ooit balletles nam om zijn dirigeren te verbeteren. Terecht! De lijn die je lichaamstaal laat zien, het stromen van de muziek in jouw bewegingen, voor een orkest betekent dat alles. Een orkest zal altijd problemen hebben met een dirigent die ongemakkelijk ademt.’
Aan de andere kant, dirigenten die louter meebewegen met de muziek hebben een korte carrière.
‘Dan worstelt een orkest zich naar het eind. De grap is natuurlijk dat dirigeren ook nooit te choreograferen valt.’
Vermomming
Barbara Hannigan is vaste gastdirigent in Gothenburg, wordt chef in Reykjavik, en als gastdirigent die tegelijk sopraanpartijen kan zingen, is zij bij orkesten uit de wereldtop als in München, Londen, Cleveland, Montreal ook al lang geen onbekende meer. Vaak wordt gezegd dat jouw dubbelpraktijk in 2014 is begonnen bij een concert van Radio France. Maar als we ons goed herinneren maakte je veel eerder al je opwachting als een prima dirigerende sopraan bij een jubileumconcert voor de Nederlandse dirigent Reinbert de Leeuw – hoewel, je was vermomd.
‘Dat was mijn officieuze eerste keer! En Reinbert herkende me niet! Hij zag wel wat er gespeeld ging worden, Mysteries of the Macabre van Ligeti, instrumenten ervoor stonden klaar. Ik kwam op als zijn dubbelganger, met pruik, bakkebaarden, een valse neus, en hij vroeg zich alleen maar af, waar is potdomme de zangeres, waar is Barbara!? Pas toen ik begon te dirigeren, op zijn manier, met stuiterende armen, zag hij wat er aan de hand was. Hij lag dubbel.’
De Leeuw heeft een halve carrière lang jouw pad gekruist.
‘Het voelt alsof hij er nog is. Zijn piano staat bij me thuis, met zijn schoenen eronder.’
Wat heb je van Debussy opgestoken, alle keren dat je de rol van Mélisande zong in de opera Pelléas et Mélisande?
‘Avond na avond, drie uur lang… het gaat in je botten zitten, niet alleen de rol, maar alles. De manier waarop Debussy omgaat met stemmen, met een compleet orkest – het wordt een deel van jezelf.’
Klopt het dat La mer voor het eerst op jouw dirigeeragenda staat?
‘Debussy’s Sirènes heb ik ook nog nooit gedaan.’
En Abyssal van Kyriakides gaat in wereldpremière. Met gadgets, zodat je – ook voor het eerst – simultaan kunt dirigeren en zingen én bewegen op een danspodium. Zegt het begrip plankenkoorts jou iets?
‘Voor mij hangt het niet af van de moeilijkheid van een productie, zolang ik een goed gevoel heb bij wat er van me gevraagd wordt. Bij opera of dans krijg je in de aanloop al zoveel kansen om nerveus te worden… repetities, de eerste orkestrepetitie, de generale… dat het bij de voorstelling zelf alleen maar meevalt.’
Tekst: Roland de Beer Beeld: Stef Nagel
Dit artikel verscheen eerder in Intrada, sept- nov 2026 nr. 1.

